-
Moeilijk
contact met vriendjes kunnen maken.
-
Zich moeilijk
kunnen concentreren.
-
Gedragsproblemen of leerproblemen op school hebben.
-
Een negatief zelfbeeld hebben
-
Snel ruzie
maken
-
Slecht slapen:
angstige dromen
-
Teruggetrokken
zijn of juist drukker dan normaal
-
Buikpijn hebben
of andere lichamelijke klachten
-
Bedplassen
-
Gepest worden
of zelf plagen
-
Weinig zelfvertrouwen hebben
-
Faalangstig
zijn of onzeker